Inspectie onderzoekt bejegening van zedenslachtoffers door politie en OM

De Inspectie Justitie en Veiligheid gaat onderzoeken hoe politie en het Openbaar Ministerie (OM) slachtoffers van zedenzaken bejegenen. Hiervoor zal de Inspectie vooral met slachtoffers zelf praten over de manier waarop met hen is omgegaan. Via haar bevindingen wil de Inspectie eraan bijdragen dat de omgang met zedenslachtoffers in het opsporingsproces waar nodig verbetert. Vandaag heeft zij haar plan van aanpak van dit onderzoek gepubliceerd.

De Inspectie richt zich hierbij specifiek op twee zedendelicten: aanranding en verkrachting. Van alle zedendelicten waarvan de politie jaarlijks kennisneemt, komen deze het meest voor.

Aanleiding en afbakening onderzoek

Er zijn drie redenen voor het onderzoek. In haar onderzoek naar een zedenzaak in Hoorn heeft de Inspectie geconcludeerd dat het politieoptreden voortvarender had kunnen zijn. Naar aanleiding hiervan heeft de minister van Justitie en Veiligheid de Tweede Kamer toegezegd nader te laten onderzoeken welke belemmeringen slachtoffers ervaren bij de aangifte van een zedenmisdrijf. De Kamer had het kabinet hiertoe eerder via een motie verzocht.

De Inspectie bekijkt de bejegening van de slachtoffers in een deel van het strafproces. Dit betreft:

  • het opsporingsonderzoek;
  • of het vervolgingsbesluit aan het slachtoffer is meegedeeld.

De Inspectie voert haar onderzoek uit bij vijf politie-eenheden: Den Haag, Rotterdam, Oost-Nederland,  Zeeland/West-Brabant en Limburg.  Ze onderzoekt er zedendossiers uit 2017 en eerste helft 2018 en houdt interviews met medewerkers. 

De Inspectie vraagt meerderjarige zedenslachtoffers van deze dossiers om hun medewerking. Zij wil hun ervaringen in beeld brengen via enquêtes en via interviews. Daarnaast zal de Inspectie medewerkers interviewen van organisaties die zedenslachtoffers hulp bieden.


Update 9 juli 2019: De Inspectie heeft de onderzoeksopzet aangepast.

""